Spring naar inhoud

Kasteel Schoterbosch

 

Het kasteel van Schoterbosch heeft waarschijnlijk gestaan in het westelijk gedeelte van de Berkenstraat. L. van Ollefen schreef hierover in 1796:  “Het slot heeft reeds jaren lang in ruïne gelegen; en ’t is te denken dat men het verbannen van alles wat adellijk plagt genoemd te worden, welk verbannen de nu in hunne stand herplaatste Bataven reeds ter hand genomen hebben alle deeze en dergelijke overblijfselen en gedenkteken van den adeldom, welke ons, tot schande van onze afkomst heeft geplaatst gehad, zullen weggeruimd worden, en wij onze vrije grond derhalve niet meer zullen ontsierd zien met die puinhopen”.

Loosjes schreef in 1804, dat ter plaatse in zijn tijd een oude boerderij stond, die toen van Hendrik Dirksen het eigendom was. Deze boerderij stond naast Huis te Zaanen. In 1785 bezat deze boerderij een: “Stallinge voor 20 koeien en paarden wagenschuur, hooyberg en een kroft gelegen voor gemelde woning”.  Later lezen we in een transportakte dat op vrijdag 31 oktober 1806 Jan Nelis het koopt voor 1.900 gulden van Johannes Sebastiaan van Namen van Scherpenzeel, wonende te Haarlem een: “Huysmans of boerenwoning met erf, grote tuyn en stalling voor koeien en twee paarden, hooiberg et. etc.  genaamd Schoterbosch”. Hoewel het pand op de lijst van monumenten voor kwam, werd het in verpauperde staat verkerende bolwerk in  1924 toch gesloopt.                                  

Kapper in het groen

Het is even zoeken op het terrein van de Haarlemse Kweektuin. Tussen de biologische groentetelers, duurzame designers, yogaleraren en verantwoorde houtverwerkers zit een kapsalon. Het is geen foutje van de ballotage commissie, want Joline Klinkenberg doet het heel anders dan collega-coiffeurs. Zonder chemische middelen, in een rustieke omgeving en – voor wie wil – een knipbeurt in stilte en zonder spiegel. Wat zijn die nou aan het doen? Wie op een geruisloze maandagmiddag een wandelingetje maakt over het Kweektuincomplex aan de Kleverlaan loopt de kans tussen de bomen zomaar een kapster en haar klant tegen te komen. Want het knippen van haar kan ook gewoon midden in de natuur. Luisterend naar fiedelende vogels, de wind die met bladeren speelt en ondertussen de lokken op de aarde zien dwarrelen.

Met ’Schaar Zoekt Haar’ heeft Joline Klinkenberg (37) de kapsalon gecreëerd waar ze zelf graag zou komen. Zo kan de klant ervoor kiezen in stilte te worden geknipt, waarbij de kapsalon slechts wordt gevuld met het geluid van de snijdende schaar. Voorbij zijn de oppervlakkige praatjes over het weer, de selectie van het Nederlands elftal en het recept voor een hartige taart. „Sommige mensen hebben een hekel aan de kapper, omdat ze altijd moeten praten. Dat voelt ongemakkelijk.” Soms haalt Klinkenberg – uiteraard alleen op verzoek – de altijd zo dominant aanwezige spiegel voor het hoofd weg. Het is om een sfeer te scheppen waarin de klant even helemaal los kan zijn van de dagelijkse reuring om hem of haar heen. Sommigen dommelen zelfs even weg, terwijl Klinkenberg de coupe in model knipt. Het is haast meditatief. Als de klanten dan na een half uur hun ogen weer openen, schrikken ze soms van het resultaat. Maar als ze er even later aan gewend zijn, lopen ze tevreden het tiny house in de glazen kweekkas uit. Of zo het bos uit, als ze graag buiten willen worden geknipt.

Klinkenberg is geen kapper van het type ’U vraagt, wij draaien’. Ze probeert bij de intake een beeld van iemands persoonlijkheid te krijgen – verbinding te zoeken – en daar het kapsel op aan te passen. Een formele heer wordt met een identieke coupe huiswaarts gestuurd. Terwijl het bij een artistiekeling juist veel creatiever en losser kan.
Neem eens een kijkje op de website: Schaar zoekt Haar – Home

Patrimoniumbuurt 100 jaar.

De Patrimoniumbuurt is een buurt in beweging. Denk aan de realisatie van torenflat de Pionier aan de Spaarndamseweg, de verkoop van huizen aan onder meer de Kloppersingel en de komende bouwprojecten CarpetRight, Spaarneboog, Qualitiy Bakers en de herinrichting van het Nelson Mandelapark. Dit jaar viert de Patrimoniumbuurt haar 100e verjaardag. De wijk wil hier nadrukkelijk bij stilstaan. Een aantal enthousiaste wijkbewoners heeft daarom besloten om op gepaste afstand festiviteiten en activiteiten te organiseren. Er wordt gedacht aan een tentoonstelling, een herdenkingsboekje over de buurt, een puzzel en speurtocht en een corona proof buurtfeest. Er is een bewonerscommissie, een wijkraad Patrimonium en er is een aantal actieve bewoners met aanvulling van een tweetal werkgroepen. Lijkt het u leuk een bijdrage te leveren? Neem dan contact op met Arnold Strien 06 222 137 34 of ahjvanstrien@live.nl(deze oproep is overgenomen uit de HRLM stadsglossy).

Toekomst begraafplaats Sint Bavo

O.L. Vrouw van Zeven Smarten, na de naamswijziging bekend als de Mariakerk is nog niet officieel gesloten. De Bisschop heeft het besluit nog niet bekrachtigd door het plaatsen van zijn handtekening en dus is er sprake van een vacuüm. Op woensdag- en zondagochtenden worden regelmatig diensten gehouden. Daarnaast worden ook nog uitvaartmissen gehouden. Als de sluiting door het zetten van de handtekening van de Bisschop wordt bekrachtigd, dan komt er een eind aan de ruim zestig jaar durende band tussen de kerk en de aangrenzende begraafplaats, waar veel Schotenaren een laatste rustplaats hebben gevonden. Het kerkhof is aangelegd bij de bouw van de tweede kerk van de parochie Schoten, aan de Straatweg naar Alkmaar. Voorheen werd een noodkerk gebruikt nabij de Jan Gijzenkade. De ingang ligt rechts van de voormalige pastorie achter op het terrein. Deze kerk werd op 25 augustus 1858 toegewijd aan de Heilige Bavo. Het kerkhof lag achter de kerk. Het benodigde zand werd door de boeren uit de gemeenschap gratis geleverd en aangevoerd. Bij de bouw van de derde kerk in 1936 de O.L. Vrouwe van Zeven Smarten, bleef de naam Sint Bavo kerkhof behouden. Deze kerk werd aan de andere kant van de Pastorie gebouwd, die daardoor enige tijd tussen twee kerken in kwam te liggen. Een kerk in aanbouw en een kerk die werd afgebroken. Zie foto. Op het moment is een fusieproces gaande om te komen tot de Franciscusparochie. Daarmee zal de kerkrechtelijke verantwoordelijkheid voor het kerkhof overgaan naar de nieuwe parochie. Regelmatig vragen bezoekers van het kerkhof hoe de toekomst van de begraafplaats er uit gaat zien. Er liggen ruim vierhonderd graven. In het parochieblad is te lezen dat het nieuwe kerkbestuur de intentie heeft uitgesproken om de begraafplaats in stand te houden, omdat die als wezenlijk element van de nieuwe parochie wordt beschouwd.

Bron; Haarlems Dagblad en eigen info.

Voormalig drogisterij “Het Rode Leeuwtje”

De resten van de muurschildering zijn nog goed te zien.

















Wie heeft informatie over, of afbeeldingen van de muurschildering van het hoekpand drogisterij de Rode Leeuw, hoek Atjehstraat 35/Soendastraat 68, Haarlem.

Op 11 december 1926 is onder de handelsnaam “Drogisterij Het Rode Leeuwtje in de Hogerwoerdstraat 27 te Schoten door Pieter Cornelis de Leeuw een drogisterij opgericht. In die tijd was de drogist een belangrijke man. P.C. de Leeuw was zo’n man die bovendien ook erg veel wist. Zo een bij wie je eerst even langs ging voordat de dokter er aan te pas kwam. Een vertrouwensman in allerlei situaties. Dat was toen, in de jaren dertig van de vorige eeuw zo. Pieter Cornelis de Leeuw begon een drogisterij in de buurt van het Kastanjeplein. Het rode in de bedrijfsnaam verwees naar de socialisten die in die buurt talrijk waren. Elke zondag hoorde je A.J.C. liederen door de straten klinken. “Als ik nou een naam met iets van rood er in doe, denken de socialisten dat ik een van hen ben en komen ze wel naar mijn winkel,” zo dacht de oprichter.

In 1936 werd een filiaal geopend in Atjéhstraat 35 te Haarlem, die zijn zoon onder beheer nam. Een jaar later werd dat een zelfstandige zaak met dezelfde Handelsnaam. In die tijd gingen de mensen niet snel naar een dokter. Nee eerst mocht de drogist zich over de kwestie buigen. Vaak gingen de klanten met een zalfje of drankje huiswaarts.

Een drogist was niet zo maar een winkelier in de ogen van de buurtbewoners. Een drogist was een handlanger van de eeuwigdurende wijsheid. Als er een man op straat viel, dan werd de drogist uit zijn bed getrommeld om aan de patiënt te ruiken en vast te stellen of de man gewoon te veel gedronken had. En voordat de politie de man wegens openbare dronkenschap achter de tralies kon stoppen, werd de slagersjongen gewaarschuwd. De benevelde buurtbewoner mocht voorop, op de slagersbakfiets, waar normaal de varkenslapjes lagen en werd thuis afgeleverd. Zo ging dat in die dagen. Zalfjes en tincturen werden door de drogist zelf gemaakt.

Het pand hoek Atjehstraat 35 / Soendastraat 68

Sloop en herbouw van het Posthuis.

Het bestuur van Stichting het Posthuis dringt er bij de gemeente op aan de restanten van het beeldbepalende buurtgebouw in Haarlem-Noord te slopen. Ze vrezen dat het karkas van het pand ten prooi valt aan vandalisme. Het is inmiddels ruim een half jaar geleden dat het Posthuis in het Zaanenpark door brandstichting volledig werd verwoest. De politie heeft tot op heden geen schuldige(n) kunnen aanhouden.

Het gemeentelijke gebouwtje, stammend uit 1948, met het karakteristieke dikke rieten dak vervulde een centrale rol in de Sterrenbuurt. Het was een ontmoetingsplaats voor de buurtbewoners, voor feestjes en partijen, cursussen, films en evenementen zoals het festival Zomer in de Zaanen en Kerstzang in het park. Na de nodige opruimwerkzaamheden en bouwkundige onderzoeken bleek dat er niet kan worden herbouwd op de restanten. Inmiddels wordt langzamerhand steeds meer duidelijk hoe het verder moet met nieuwbouw. Bestuurslid Ingrid van Koppenhagen: „Het goede nieuws is dat de verzekeraars gaan uitbetalen en dat de gemeente het met ons eens is dat er iets vergelijkbaar moet verrijzen. Er moeten bijvoorbeeld geen volkstuintjes voor in de plaats komen.” Het stichtingsbestuur ziet twee opties bij de nieuwbouw. Van Koppenhagen: „Het kan dat de gemeente met de nodige inbreng van ons graag zelf wil herbouwen en met ons een nieuw huurcontract afsluit. Maar wij onderzoeken ook de mogelijkheid om als buurt zelf duurzaam en klimaatneutraal te laten bouwen en uiteraard met de nodige hulp van de gemeente zelf te gaan financieren en exploiteren. Wij denken dat daarmee de nodige besparingen zijn te bereiken.”

Volgens Van Koppenhagen is verantwoordelijk wethouder Jur Botter voorstander van buurtparticipatie. „Maar daar zitten uiteraard nogal wat consequenties aan vast voor ons als vrijwillig bestuur. Wat te denken van de persoonlijke aansprakelijkheid? Dat zullen we met elkaar moeten oplossen. Wij zitten binnenkort nog een keer aan tafel met de gemeente en hopen dat de koers dan duidelijk wordt.” Als het stichtingsbestuur zelf aan de gang gaat, wordt nog dit jaar gezocht naar meedenkers en meewerkers voor het project. „Er wordt gewerkt aan een nieuwe website om de buurt te informeren, voortgang en ideeën te delen en zo nodig beslissingen te nemen bijvoorbeeld via polls. Wij bespeuren in elk geval dat er veel enthousiasme, energie en deskundigheid is op allerlei niveaus bij de buurtbewoners. Dat bleek ook al snel uit de crowdfundingsactie die onlangs is afgesloten. Meer dan 500 donateurs brachten een bedrag van ruim vijftienduizend euro bij elkaar dat nu voorlopig nog veilig op een bankrekening staat.”

Tegenstanders van skaeve huse in Haarlem beginnen verzet bij monumentale boerderij Noord-Akendam


Je kon er natuurlijk op wachten. Nadat de vier locaties bekend werden waar volgens de gemeente hardnekkig verslaafden en anti-socialen kunnen wonen, braken de protesten los. Zoals bij de vervallen monumentale boerderij Akendam aan de Vergierdeweg. ’Maak van Haarlem-Noord geen drugsoord’, verkondigen de tegenstanders. Zij denken dat de locatie veel te dicht bij de woonwijk ligt.

Het Dolhuys, museum van de geest weer open. Een bezoek dubbel en dwars waard

Het museum van de geest is gevestigd in het voormalige Pest-, Dol-, en Leprooshuis van de stad Haarlem. Het pand heeft 700 jaar lang onderdak geboden aan ‘melaatsen, gekken, onaangepasten, alcoholici, hoeren met syfilis, dementerende ouderen, zwervers, mensen in crisis’. In de loop van de geschiedenis heeft het complex verschillende namen gehad: Leprooshuis, Pest-, Dol- en Leprooshuis, Buitenproveniershuis, Buitengasthuis, Stadsarmen en – Ziekenhuis, Haarlems Tehuis voor Ouden van Dagen, Haarlems Verzorgingshuis Schoterburcht, Crisiscentrum.

De geschiedenis van het complex is enerzijds een voorbeeld van het ideaal van naastenliefde en de zorg voor zwakkeren die hulp nodig hebben. Anderzijds staat het voor het opsluiten en isoleren van mensen die er niet bij horen en die de sociale orde verstoren.

Melaatsen

Het begon ruim 700 jaar geleden. Rond 1300 was ten noorden van Haarlem buiten de stadsgrens een gemeenschap van leprozen gevestigd. Zij woonden in kleine huisjes rond een kerkje, de St. Jacobskapel. Leprozen werden vroeger uit de gemeenschap verstoten. Dat hun ziekte veroorzaakt wordt door een bacterie was toen nog niet bekend. Het mismaakte uiterlijk werd vaak gezien als een teken van verdorvenheid en moreel verval. Volgens het volksgeloof kon je alleen genezen door boetedoening; leven van gebedeld brood en als je bezittingen had, deze aan de armen te schenken.

Rond 1400 had de gemeenschap zich ontwikkeld tot het Leprooshuis, dat onder toezicht stond van de stad Haarlem. De arme leprozen woonden in de leprozerie, een grote gasthuiszaal, waar ze met elkaar leefden. De rijke leprozen hadden een eigen huisje. Zij moesten bij hun opname al hun bezit aan het Leprooshuis schenken. Zo kreeg het Leprooshuis in de 15e eeuw veel stukken land in eigendom. De rente en pacht die dat opbracht was een belangrijke bron van inkomsten voor het latere Pest- en Dol-, en Leprooshuis.

Lepraschouw

In 1413 kreeg Haarlem het monopolie op de lepraschouw. Dat wil zeggen dat mensen die er van verdacht werden met lepra te zijn besmet uit heel Nederland naar het Haarlemse Leprooshuis moesten reizen om zich daar te laten onderzoeken. Voor die reizende leprozen, ‘lopers’ genoemd, werd een aparte vleugel gebouwd, het Lopershuis, waar ze een paar nachten konden logeren.

De visitatie werd gedaan door een commissie van keurmeesters, bestaande uit een paar vaste bewoners, de stadsdokter en kapelaan van de kapel. Wie lepra had kreeg een certificaat, een vuilbrief. Daarmee had je recht op een plek in je plaatselijke leprozerie en kreeg je toestemming om te bedelen. Je kreeg ook een klepper mee, zodat iedereen kon horen dat je leproos was. Overigens was de diagnose niet erg nauwkeurig, ook voor andere nare aandoeningen als schurft of pokken kon je een vuilbrief krijgen.

Gesjoemel met vuilbrieven

Zo’n vergunning om te bedelen was ook onder ‘normale’ bedelaars gewild. Je vuilbrief verkopen was een lucratief handeltje. Zo was Herman Jansen uit Heteren (Gld.) een vaste klant in het Pest- en Dol-, en Leprooshuis. In een periode van drie jaar was hij acht keer naar Haarlem gereisd om een nieuwe vuilbrief te krijgen. Telkens kwam hij met een nieuwe verklaring voor het verlies van zijn vorige brief: kwijt geraakt, gestolen, door iemand verscheurd, in het water gevallen of onleesbaar geworden. Het heeft er alle schijn van dat hij zijn vuilbrieven verkocht aan ‘normale’ bedelaars.

Dolhuizen

In 1564 kreeg het Leprooshuis er een nieuwe bewonersgroep bij: ‘dollen’. Voor hen werd er een aparte vleugel met dolcellen gebouwd. Vroeger werd er meestal onderscheid gemaakt tussen mensen die hun verstand kwijt waren maar zich verder rustig gedroegen en degenen die druk en agressief waren: zij werden ‘dol’, ‘furieus’ of ‘razend’ genoemd. De ‘dollen’ werden geketend en met geweld in bedwang gehouden; totdat zij weer wat rustiger waren werden zij in een hok of een cel opgesloten.

In de Middeleeuwen waren er aanvankelijk nog geen aparte instellingen voor ‘dollen’. Wie niet door zijn familie werd verpleegd kon bij een particulier worden ondergebracht of opgenomen in een gewoon gasthuis. Vaak waren er op zolder kamertjes of hokken getimmerd om ‘dollen’ in op te sluiten. In de 15e eeuw verschenen in Nederland de eerste dolhuizen, waarin huisjes of cellen waren samengevoegd rondom een binnenplaats. De Reinier van Arkel Stichting in ’s Hertogenbosch uit 1442 was het eerste dolhuis in Nederland.

Gedwongen opname

Meestal namen naaste familieleden het initiatief voor opname in het dolhuis. Het stadsbestuur moest toestemming geven voor de opname. Soms kwam de stadsdokter er aan te pas om te controleren of de betrokkene werkelijk ‘dol’ was. Zoals in het geval van Pieter Crijnsz. Hars, koperslager te Haarlem. Deze gedroeg zich vreemd en liet zijn bedrijf versloffen. Zijn vrouw Cathelijne liet hem wilsonbekwaam verklaren en kreeg toestemming om zonder hem het bedrijf voort te zetten.

De dokter die Hars onderzocht vond hem weliswaar van streek en in de war maar wilde hem toch liever thuis houden. Zijn vrouw en familie vreesden ongelukken als hij niet snel in het dolhuis werd opgenomen. Hars werd opgenomen in het dolhuis. Na paar weken werd hij weer ontslagen omdat hij zich volgens de regenten weer normaal gedroeg.

Een hongerkunstenaar

Izaak Hendriks, turfdrager te Haarlem, zat in een dolcel in het Pest,- en Dolhuis. Hij had het plan opgevat om in navolging van Jezus in de woestijn 40 dagen te vasten. Hendriks begon zijn hongerstaking op 5 december 1684 en kondigde aan op 16 januari klokslag 11 uur weer te zullen gaan eten. Hij wilde in leven blijven op een rantsoen van drinkwater en tabak. De regenten zagen de hongerstaking met zorgen tegemoet. Niemand kan zo lang zonder eten. Zij probeerden Hendriks op slinkse wijze tot eten te bewegen. Een knecht ging ‘s nachts verkleed als een engel de dolcel binnen roepend: ‘Izaak mijn zoon, gij moet eten’. Tevergeefs.

Het verhaal over dit wonder verspreidde zich tot in Amsterdam toe. Op het afgesproken tijdstip, waarop Hendriks zijn hongerstaking zou beëindigen, had zich in het Pest-, en Psychiatrische inrichting een grote menigte verzameld. Precies om 11 uur zette hij zich aan de maaltijd: een stevige bouillon en een schapenbout. Hendriks kreeg hevige maagkrampen en kort daarop overleed hij. Hij werd onder grote publieke belangstelling op de begraafplaats van het Pest,- en Dolhuis begraven.

Regenten

Net als de andere zorginstellingen in de stad werd Het Pest- en Dolhuis bestuurd door een college van regenten en regentessen, aangesteld door het stadsbestuur. Het besturen van een liefdadige instelling hoorde er bij onder gegoede kringen. De regenten beheerden de geldzaken, de regentessen kochten eten, wol en linnengoed in. Voor het dagelijks toezicht zorgden de binnenvader en –moeder, die een eigen woning in het pand hadden. Er was een bakker in dienst, die ook de ‘dollen’ in hun cel opsloot en een oogje in het zeil hield. De regenten en regentessen vergaderden in een aparte vleugel in het pand waar ze ieder over een luxe ingerichte ruimte konden beschikken. In 1756 werden beide kamers samengevoegd tot één nieuwe regentenkamer. Het behang en de betimmering werden beschilderd door de Haarlemse schilder Jan Augustini (1725-1773).

Verbeterhuis

Rond 1675 kreeg het Pest-, Dol- en Leprooshuis er een grote nieuwe vleugel bij, het Verbeterhuis, ook wel de Commensalenplaats genoemd. Dat was een besloten binnenplaats met kleine huisjes, waar ‘onaangepaste lieden’ op kosten van hun familie enige tijd in bewaring genomen werden, in de hoop dat zij hun leven zouden beteren.

Zo vroeg Jacob de Koning, zijdewever in de Keizerstraat te Haarlem, aan het stadsbestuur of zijn dochter Janneke niet enige tijd in het Verbeterhuis kon worden opgenomen. Zij had verkering met iemand die volgens hem niet deugde. Haar vrijer was niet in staat om zelf de kost te verdienen en erger nog: hij was Rooms Katholiek. Kort na haar opname wist Janneke te ontsnappen.

In geval van krankzinnigheid was het Verbeterhuis ook een optie, als de familie bereid was om de kosten te betalen. Sophia du Flô verloor kort na haar bevalling haar verstand. Zij schold, vloekte en bedreigde haar man en kinderen. Op een nacht ontsnapte zij aan haar oppassers en zwierf over straat bonkend op de deuren. Om erger te voorkomen vroeg haar man toestemming om haar voor een tijdje op de commensalenplaats op te laten sluiten.

Een nieuwe wind

Rond 1800 woei er een nieuwe wind in de krankzinnigenzorg. Vooruitstrevende artsen beschouwden krankzinnigheid als een geestesziekte. Zachtaardige bejegening, voldoende beweging in de open lucht, passende geneeskundige behandeling gecombineerd met druip- en andere baden en een regiem van orde, rust en regelmaat konden leiden tot genezing.

De eerste Nederlandse krankzinnigenwet uit 1841 bepaalde dat de behandeling van ‘krankzinnigen’ plaats moest vinden in daartoe aangewezen geneeskundige gestichten. De oude dolhuizen – ‘opbergplaatsen van verschoppelingen’ werden ze nu genoemd – moesten worden gesloten of verbouwd.

Om aan de nieuwe wet te kunnen voldoen stelde de gemeente Haarlem een commissie in om een plan te maken om de verzorging van ‘krankzinnigen’ in het Buitengasthuis op een hoger plan te brengen. Ondanks enkele verbeteringen werd het Haarlemse Buitengasthuis geen aangewezen instituut. In 1849 verhuisden de overgebleven bewoners van het dol- en verbeterhuis naar het pas geopende gesticht Meerenberg in Bloemendaal.

Dak- en thuislozen

Na de verhuizing van de krankzinnigen ging het Buitengasthuis vanaf 1856 door als het Stads Armen en – Ziekenhuis. Voortaan vergaderde het Burgerlijk Armbestuur in de regentenkamer en er kwam een directeur voor de dagelijkse leiding. De dolcellen — op één na — werden vervangen door een nieuwe ziekenzaal. Het armenhuis was een laatste vangnet voor bejaarden en kinderen zonder ouders, die nergens anders terecht konden.

Het Armenhuis bood onder andere opvang aan oudere dak- en thuislozen. Zo woonde de weduwe Van Loon van 74 jaar aanvankelijke in het St. Jacobs Godshuis. Zij was ‘verregaand onzindelijk en zwakgeestig’ en was door de regenten van het godshuis op straat gezet. Haar zus kon de situatie niet aan en de bejaarde vrouw zwierf rond op straat. Uiteindelijke greep de politie in en kon zij in het Armenhuis worden opgenomen. Zwervers en bedelaars op leeftijd meldden zich soms ’s winters aan om in het voorjaar hun vrije leventje weer op te pakken.

Kinderen

Naast ouderen waren in het Stads- Armen en Ziekenhuis ook kinderen en jongeren opgenomen die tijdelijk verzorging nodig hadden. Zij leefden aanvankelijk onder één dak met de bejaarden, kregen geen aparte aandacht en sliepen met de ouderen op een slaapzaal. Dat was voor kinderen een ongewenste situatie.

In 1927 werd het Haarlems Kindertehuis geopend, een nieuwe afdeling in de voormalige regentenvleugel die streng werd gescheiden van de rest van het complex. Er was plek voor 45 kinderen. Een besturend zuster, een verpleegster en zes leerling-verpleegsters en helpsters zorgden voor de jonge bewoners.

Het ging om kinderen waarvan de moeder was opgenomen in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting of van wie de vader weduwnaar was geworden en de verzorging van zijn familie niet meer aankon. Ook kinderen die thuis geen goede verzorging kregen en door de voogdijraad aan ouderlijke gezag waren onttrokken kwamen in het Haarlems Kindertehuis terecht. Er waren ook zes wiegjes voor zuigelingen. Hun moeders waren vaak nog te zwak om zelf voor hun kind te zorgen. Meestal verbleven de kinderen voor hooguit een paar maanden in dit kinderpension.

Crisiscentrum

In 1978 werd een deel van het pand ingericht voor het Crisiscentrum, een initiatief van de gemeente Haarlem en bedoeld als laagdrempelige opvang voor mensen in psychische nood. Vanaf 1986 werd het Crisiscentrum beheerd door psychiatrisch ziekenhuis Vogelenzang in Bennebroek (nu GGZ inGeest). Mensen in een acute psychische crisis, die last hadden van paniekaanvallen of angsten, in een thuissituatie verkeerden die ineens onhoudbaar was geworden of de greep op zichzelf dreigden te verliezen, konden er zonder verwijzing van de huisarts dag en nacht binnenstappen. Zij kregen hulp in de vorm van gesprekken en konden maximaal een week blijven. Een deel werd doorverwezen naar een psychiatrische inrichting. Anderen konden na intensieve kortdurende hulp weer verder, zonder in de psychiatrie te belanden. In 1998 werd het Crisiscentrum gesloten.

Museum van de geest

In het pand dat 700 jaar lang onderdak bood aan ‘melaatsen, gekken, onaangepasten, alcoholici, hoeren met syfilis, dementerende ouderen, zwervers en mensen in crisis’ huist sinds 2005 het Dolhuys|museum van de geest. Een museum dat streeft naar het in beeld brengen van de mens in al haar facetten en het ter discussie stellen van stereotype beelden om zo een bijdrage te leveren aan erkenning, waardering en begrip voor mensen. In het bijzonder van mensen in Nederland die afwijken van de geldende ‘norm’ in hun gedrag, denken en emoties, in zowel positieve als negatieve zin, zowel in het heden als het verleden.

Bron: Website museum van de geest
Homepage | Museum het Dolhuys

Toch geen herstel voor 17e eeuwse stolpboerderij.

Er kan een streep door het plan voor de restauratie van en nieuwbouw bij de monumentale boerderij Noord Akendam aan de Vergierdeweg. Vooral de grootschalige nieuwbouw en de stedelijke uitstraling daarvan vormt volgens het college van B en W een ernstige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van deze zeer bijzondere en landelijke plek. Het ernstig vervallen boerderijcomplex, bestaande uit twee woningen en een ingestorte stolpschuur, is eigendom van Recreatieschap Spaarnwoude. Het bureau Huibrechtse & Koster Consultants heeft het plan Nieuw Akendam gemaakt voor de herbouw en het hergebruik van de boerderij. Die moet weer tot leven komen als fraaie buitenplaats met onder meer een restaurant met terras. Daarnaast is er ruimte voor een medisch kleuter dagverblijf en dagbesteding voor mensen met een beperking. B en W weigeren de vereiste vergunning af te geven. ’De hoge cultuurhistorische waarden op deze plek kunnen onmogelijk overeind blijven bij dergelijke grootschalige herontwikkeling’, zo beargumenteert het college de weigering. De twee nieuwe gebouwen worden 34 en 37 meter lang en elf meter hoog. Met hun moderne vormgeving met veel glas zullen ze veel lichtvervuiling geven in de nachtelijke uren en de horeca zal veel overlast voor de omgeving op gaan leveren. Naast de boerderij zou een flink parkeerterrein moeten komen. Het betreft een plek met een hoge kwetsbaarheid, stelt het college, waarbij de boerderij met bijgebouwen en erf en de landelijke omgeving een onlosmakelijk agrarisch geheel vormen. ’Het zeer oorspronkelijke en idyllische landschap vormt de verstilde groene biotoop van de boerderij, die hier al sinds de 17de eeuw staat en uiterst bijzonder genoemd mag worden. Het complex is in de Haarlemse context volstrekt uniek’, meent het college, dat voorziet dat de omvangrijke nieuwbouw ’de subtiele samenhang tussen bebouwing en omringend landschap dreigt te verstoren.’. De nieuwe gebouwen gaan de monumentale boerderij overschaduwen. ’Zij voegen zich niet naar de plek, maar nemen een dominante positie in. De nieuwe ontwikkeling vormt geen subtiele invulling op het bestaande agrarische ensemble, een ’grote klont’ bebouwing ontstaat die niet past binnen het ensemble.’ De nieuwe toegangsweg, parkeerplaats en bijkomende voorzieningen zullen deze plek nog verder aantasten en de druk op de groene stadsrand verhogen.

Initiatiefnemer Wiebe Koster reageert teleurgesteld. ,,Dit plan was een unieke kans om er nog iets van te maken. We kunnen het omvang niet aanpassen, want dan krijgen we de financiële onderbouwing niet rond. Voor ons houdt het nu op. Het Recreatieschap, dat al door de gemeente is aangeschreven om het noodzakelijke onderhoud te verrichten, zal tonnen moeten uittrekken om het te herstellen. Maar dat geld is er niet. Dan dreigt dit mooie monument roemloos aan zijn einde te komen.’’

Inmiddels heeft de gemeente Haarlem nabij het kwetsbare stuk grond waar niets lijkt te kunnen of te mogen, vlakbij de monumentale boerderij een stuk grond aangewezen voor de mogelijke bouw van een voorziening met een aantal woningen voor sociaal onaangepasten. Mensen die moeilijk plaatsbaar zijn en door overlast diverse malen uit hun woning zijn gezet. Ook deze bebouwing zal fors zijn. Naast de imposante gebouwen van Sterrenheuvel, die vorig jaar naast het beschermde gebied zijn verrezen, steekt de oude boerderij schril af met zijn bescheiden witte muren in het groene agrarische gebied. De vraag is, of behoud van de vanuit monumentenzorg beschermde boerderij nog mogelijk zal zijn.

Bakvis in oorlogstijd, het dagboek van Miep Diesel

dagboek  28 april 2020 verscheen “Bakvis in oorlogstijd” – Het dagboek van Miep Diesel. Op 30 april overhandigde Hilde van Garderen – dochter van Miep Diesel – het manuscript aan de Haarlemse burgemeester Jos Wienen, die op zijn beurt het eerste exemplaar van Bakvis in oorlogstijd presenteerde.

Op de avond van 5 november 1942 besluit de Haarlemse Miep Diesel een dagboek te gaan bijhouden. Zij heeft dan de hoge leeftijd van 15 jaar bereikt, zoals ze in het dagboek schrijft. De Duitse bezetting is dan al meer dan twee jaar gaande en de gevolgen ervan dringen steeds dieper door in de samenleving. Het oorlogsgeweld is voor Miep Diesel echter niet de reden een dagboek te beginnen. Ze zoekt een klankbord en vertrouwt haar schriften toe, wat ze bij niemand anders kwijt kan. En dat betrof in de eerste plaats het ontluikende liefdesleven van de aantrekkelijke Haarlemse. Van haar prille verliefdheden, hartstochtelijke aanbidders en het flirten met Canadese bevrijders tot haar intens verdriet om een gebroken liefde. 

“Bakvis in oorlogstijd” schetst in vlotte bewoordingen hoe een ‘gewoon’ meisje de oorlogsjaren ondergaat. Door de ogen van Miep Diesel krijgen we niet alleen een beeld van een levenslustige tiener, maar ook van de ontwrichting van het dagelijks leven in Haarlem tijdens de bezetting. Ze schrijft niet in de periodes december 1943-juni 1944 en augustus 1944-mei 1945. Over de betrekking die ze verkrijgt bij de firma Enschedé, drukker van levensmiddelenbonnen, en over hoe ze de hongerwinter ervaart, valt daarom helaas niets te lezen. Vooral voor oudere Haarlemmers is het een boeiend tijdsbeeld dat het destijds 15-jarige meisje uit de Stuyvesantstraat schetst. Alle plekken die ze beschrijft, zijn herkenbaar: de mulo aan het Junoplantsoen, Stoop’s Bad, De Delft als natuurschaatsbaan, de Rembrandt-bioscoop aan de Grote Markt, de lunchroom bij V&D.